Ze is mooi zoals ze daar zit, ineengedoken tegen de muur. Angst is altijd mooi. Ze huilt met kleine schokjes en houdt haar tot vuisten geklemde handen voor haar mond. Ik vraag haar of het gaat, maar ik moet lachen als ik merk hoe hol die woorden klinken.
vrijdag 11 mei 2007
Nora: deel 6 (slot)
Vrijdag
Ze is mooi zoals ze daar zit, ineengedoken tegen de muur. Angst is altijd mooi. Ze huilt met kleine schokjes en houdt haar tot vuisten geklemde handen voor haar mond. Ik vraag haar of het gaat, maar ik moet lachen als ik merk hoe hol die woorden klinken.
Ze is mooi zoals ze daar zit, ineengedoken tegen de muur. Angst is altijd mooi. Ze huilt met kleine schokjes en houdt haar tot vuisten geklemde handen voor haar mond. Ik vraag haar of het gaat, maar ik moet lachen als ik merk hoe hol die woorden klinken.
donderdag 10 mei 2007
Nora: deel 5
Donderdag
De deur slaat dicht. De vreemde is uit huis. Ik tast naar de warme plek naast mij en rol dan naar links tot mijn gezicht in haar hoofdkussen verdwijnt. De geur van amandelen, denk ik, maar dat heb ik gewoon ergens gelezen. Amandelen en nog iets anders, iets zoets. Als ik zo lang genoeg blijf liggen, dan stik ik.
De eerste dagen zal niemand iets merken – wij hadden niet veel contact met hem – en ook zij – alleen dat meisje kwam de laatste tijd vaak langs – heeft geen idee waar hij zou kunnen zijn. Kent u hem goed? Ja. Is hij je vriend? Ja (nee!), nog maar pas. Weeral tranen. Ze begint te overdrijven.
Na enkele weken klagen de buren over een allesdoordringende stank die uit zijn huis lijkt te komen. De deur wordt aan spaanders geslagen (wie zal dat betalen?) en in de slaapkamer vinden de rechercheurs het levenloze lichaam van de jongeman, reeds in verregaande staat van ontbinding. Doodsoorzaak? Moeilijk te zeggen. Zijn hart lijkt er simpelweg mee opgehouden te hebben. Het labo sluit zelfmoord uit en een hartinfarct lijkt onwaarschijnlijk gezien de jeugdige leeftijd van het slachtoffer. Moord? Ik ken dat meisje natuurlijk van haar noch pluim, meneer, maar ik vond het altijd al een rare, als u verstaat wat ik bedoel. Ze heeft hier eens een hele ochtend aan zijn deur staan bellen, terwijl alle rolluiken neer waren en meneer dus heel duidelijk niet thuis was.
Zij wordt meegenomen en ondervraagd maar veel krijgen de rechercheurs niet uit haar. Het onderzoek wordt enkele weken later afgesloten en in het officiële rapport wordt dan toch maar over een infarct gesproken.
De telefoon. Zij zegt dat ze me nu al mist. Dat ze vanavond zodra ze kan naar me toe zal komen. Zij zwijgt en ik haak in zonder een woord te zeggen. Ik moet op mijn hoede zijn. Zij is in mijn wereld aan het rommelen. Als het zo doorgaat, vind ik straks niks meer terug.
Opnieuw het schrille gerinkel van de telefoon. Ver weg vraagt een stem alles goed alles goed alles goed. Ik geef een ruk aan het telefoonsnoer dat meteen knapt. Gerinkel van glas. Moet even zitten want ik duizel en krijg terug hoofdpijn. Op de bank liggen, dat zal me goed doen.
Ik sluit de ogen en adem langzaam en diep in, tel tot drie, adem uit, tel weer tot drie, adem in, tel tot drie, adem uit… De zee kolkt. Vanuit het grijs van de hemel doemen twee zilverbruine ogen op, daarna de omtrekken van een neus en een mond. Flauw zonlicht breekt door de wolken en glijdt over haar wangen. Ze glimlacht me geruststellend toe. Maar als ik mijn handen uitstrek en naar haar lippen tast, vervaagt haar gezicht. Ver weg vriezen oceanen dood. De planeet kraakt in al haar voegen.
De deur slaat dicht. De vreemde is uit huis. Ik tast naar de warme plek naast mij en rol dan naar links tot mijn gezicht in haar hoofdkussen verdwijnt. De geur van amandelen, denk ik, maar dat heb ik gewoon ergens gelezen. Amandelen en nog iets anders, iets zoets. Als ik zo lang genoeg blijf liggen, dan stik ik.
De eerste dagen zal niemand iets merken – wij hadden niet veel contact met hem – en ook zij – alleen dat meisje kwam de laatste tijd vaak langs – heeft geen idee waar hij zou kunnen zijn. Kent u hem goed? Ja. Is hij je vriend? Ja (nee!), nog maar pas. Weeral tranen. Ze begint te overdrijven.
Na enkele weken klagen de buren over een allesdoordringende stank die uit zijn huis lijkt te komen. De deur wordt aan spaanders geslagen (wie zal dat betalen?) en in de slaapkamer vinden de rechercheurs het levenloze lichaam van de jongeman, reeds in verregaande staat van ontbinding. Doodsoorzaak? Moeilijk te zeggen. Zijn hart lijkt er simpelweg mee opgehouden te hebben. Het labo sluit zelfmoord uit en een hartinfarct lijkt onwaarschijnlijk gezien de jeugdige leeftijd van het slachtoffer. Moord? Ik ken dat meisje natuurlijk van haar noch pluim, meneer, maar ik vond het altijd al een rare, als u verstaat wat ik bedoel. Ze heeft hier eens een hele ochtend aan zijn deur staan bellen, terwijl alle rolluiken neer waren en meneer dus heel duidelijk niet thuis was.
Zij wordt meegenomen en ondervraagd maar veel krijgen de rechercheurs niet uit haar. Het onderzoek wordt enkele weken later afgesloten en in het officiële rapport wordt dan toch maar over een infarct gesproken.
De telefoon. Zij zegt dat ze me nu al mist. Dat ze vanavond zodra ze kan naar me toe zal komen. Zij zwijgt en ik haak in zonder een woord te zeggen. Ik moet op mijn hoede zijn. Zij is in mijn wereld aan het rommelen. Als het zo doorgaat, vind ik straks niks meer terug.
Opnieuw het schrille gerinkel van de telefoon. Ver weg vraagt een stem alles goed alles goed alles goed. Ik geef een ruk aan het telefoonsnoer dat meteen knapt. Gerinkel van glas. Moet even zitten want ik duizel en krijg terug hoofdpijn. Op de bank liggen, dat zal me goed doen.
Ik sluit de ogen en adem langzaam en diep in, tel tot drie, adem uit, tel weer tot drie, adem in, tel tot drie, adem uit… De zee kolkt. Vanuit het grijs van de hemel doemen twee zilverbruine ogen op, daarna de omtrekken van een neus en een mond. Flauw zonlicht breekt door de wolken en glijdt over haar wangen. Ze glimlacht me geruststellend toe. Maar als ik mijn handen uitstrek en naar haar lippen tast, vervaagt haar gezicht. Ver weg vriezen oceanen dood. De planeet kraakt in al haar voegen.
(wordt nog één keer vervolgd)
Voor wie het zich afvraagt
'Nora' is behalve een meisjesnaam ook de titel van een kortverhaal dat ik een paar jaar geleden schreef. Ik was de achttien net gepasseerd, had 'Das Leiten des jungen Werthers' gelezen en wou schrijver worden. Of beter: ik dacht dat ik het al was.
Tegenwoordig ben ik van plan om pas aan mijn magnum opus te beginnen schrijven als ik tegen alle verwachtingen in de vijftig jaar gehaald heb. (Een eenvoudig grapje, jonkvrouwe! Geen cynisme!) Morgen en overmorgen deel 5 en 6 van 'Nora'. Of misschien alles vandaag al. Ik ben immer ongeduldig, daar kan ik niks aan doen.
Nora: deel 4
Woensdag
Ze houdt van mij. Het valt niet meer te ontkennen. Eerste aantekening van vandaag. Het is nu bijna middag maar alle rolluiken zijn neer omdat ik nog geen daglicht kan verdragen. Ik moet gisteren onwel geworden zijn. Door de hitte, vermoed ik. Maar ik kan me er weinig van herinneren. Mijn huisdokter is hier geweest want toen ik vanmorgen rond negen uur wakker werd, vond ik op het tafeltje in mijn slaapkamer een doktersbriefje: twee dagen volstrekte rust.
De stekker van het telefoontoestel was uitgetrokken. Toen ik het apparaat weer inschakelde, zag ik dat zij drie keer had geprobeerd me te bellen: gisteravond om 22u17 en om 23u57 en nog eens heel vroeg deze morgen om 1u33. Met tegenzin maakte ik het voornemen om haar terug te bellen.
Ik denk dat ik toen even op bed ben gaan liggen om nog enkele minuten te rusten maar ik werd pas anderhalf uur later weer wakker door gerinkel. Het duurde lang voor ik besefte dat het de telefoon was en toen was het al te laat om nog op te nemen. Op het schermpje herkende ik haar nummer. Ik drukte op de terugbeltoets maar er nam niemand meer op. Toen even later de bel ging, wist ik waarom. Ze moest onmiddellijk naar hier vertrokken zijn.
Ik loop naar de hal en druk mijn oor tegen de deur. Voeten knersen op het grint. Ik wacht af. Ze belt nog een keer maar ik doe nog steeds niet open. Ze zal vier keer bellen. Vier is haar getal. Ze draagt vier gevlochten bandjes, twee rond haar rechter arm, twee rond haar linker enkel. Twee keer vier stappen van haar bed naar de badkamer. Vier keer vier stappen van de badkamer naar de ontbijttafel. Vier letters in haar naam. Vier letters in mijn naam.
Ze belt een derde keer. Nu schiet me te binnen dat ik beloofd had bij haar langs te gaan. Ze zou me voorlezen uit haar dagboek. Dat geen dagboek is. Maar dat ik toch zo noem om haar te pesten. De bel gaat een vierde keer en dan wordt het stil. Ik hoor haar aarzeling en daarna het geluid van haar voetstappen die zich verwijderen. Op dat moment open ik de deur terwijl ik de tranen al kan proeven.
Ze houdt van mij. Het valt niet meer te ontkennen. Eerste aantekening van vandaag. Het is nu bijna middag maar alle rolluiken zijn neer omdat ik nog geen daglicht kan verdragen. Ik moet gisteren onwel geworden zijn. Door de hitte, vermoed ik. Maar ik kan me er weinig van herinneren. Mijn huisdokter is hier geweest want toen ik vanmorgen rond negen uur wakker werd, vond ik op het tafeltje in mijn slaapkamer een doktersbriefje: twee dagen volstrekte rust.
De stekker van het telefoontoestel was uitgetrokken. Toen ik het apparaat weer inschakelde, zag ik dat zij drie keer had geprobeerd me te bellen: gisteravond om 22u17 en om 23u57 en nog eens heel vroeg deze morgen om 1u33. Met tegenzin maakte ik het voornemen om haar terug te bellen.
Ik denk dat ik toen even op bed ben gaan liggen om nog enkele minuten te rusten maar ik werd pas anderhalf uur later weer wakker door gerinkel. Het duurde lang voor ik besefte dat het de telefoon was en toen was het al te laat om nog op te nemen. Op het schermpje herkende ik haar nummer. Ik drukte op de terugbeltoets maar er nam niemand meer op. Toen even later de bel ging, wist ik waarom. Ze moest onmiddellijk naar hier vertrokken zijn.
Ik loop naar de hal en druk mijn oor tegen de deur. Voeten knersen op het grint. Ik wacht af. Ze belt nog een keer maar ik doe nog steeds niet open. Ze zal vier keer bellen. Vier is haar getal. Ze draagt vier gevlochten bandjes, twee rond haar rechter arm, twee rond haar linker enkel. Twee keer vier stappen van haar bed naar de badkamer. Vier keer vier stappen van de badkamer naar de ontbijttafel. Vier letters in haar naam. Vier letters in mijn naam.
Ze belt een derde keer. Nu schiet me te binnen dat ik beloofd had bij haar langs te gaan. Ze zou me voorlezen uit haar dagboek. Dat geen dagboek is. Maar dat ik toch zo noem om haar te pesten. De bel gaat een vierde keer en dan wordt het stil. Ik hoor haar aarzeling en daarna het geluid van haar voetstappen die zich verwijderen. Op dat moment open ik de deur terwijl ik de tranen al kan proeven.
woensdag 9 mei 2007
Nora: deel 3
Dinsdag
De verpleger zegt dat hij blij is dat ik kon langskomen. Ik was minder opgetogen toen hij me vanmorgen opbelde. Ik vroeg of mijn vader soms ziek was. Nee, nee, ik moest vooral niet denken dat het ernstig was.
De verpleger zegt dat hij blij is dat ik kon langskomen. Ik was minder opgetogen toen hij me vanmorgen opbelde. Ik vroeg of mijn vader soms ziek was. Nee, nee, ik moest vooral niet denken dat het ernstig was.
Niet ernstig? Waarom moet ik dan juist op mijn vrije dag dat hele eind naar de stad reizen? Bovendien is het bij een temperatuur zoals vandaag echt een hel om twee uur in een treinwagon te zitten. Als een dikke stoflaag ligt de logge hitte over de straten.
Hier binnen, in het belachelijk kleine kantoortje van de hoofdverpleger is het godzijdank iets minder warm maar erg benauwend. Ik zuig wat van de doffe lucht naar binnen maar de door mijn hoofd dreunende pijn wordt er alleen maar erger door. Wat zou zij nu aan het doen zijn?
De hoofdverpleger schat ik rond de vijfendertig. Ik stel met genoegen vast dat hij nog meer onder de hitte lijdt dan ik. In zijn hals staan kleine, vieze zweetdruppeltjes.
"Uw vader is de laatste tijd nogal onrustig," begint hij. "Hij slaapt slecht en is soms, nu ja, bijna onhandelbaar.” Ik zie dat er zich op zijn witte hemd ter hoogte van zijn oksels vochtkringen aftekenen. De verpleger lijkt min of meer te verwachten dat ik iets zal zeggen maar ik knik gewoon. Even aarzelt hij maar dan gaat hij verder.
“Hij lijkt voornamelijk af te zien onder het feit dat hij zo weinig bezocht wordt. Daar lijkt hij toch vaak op aan te sturen. Begrijp me niet verkeerd, ik weet dat u het druk heeft maar misschien…”
- ”Kunt u hem niet wat geven?”
- “Pardon?” De verpleger kijkt me niet begrijpend aan.
- “Kunt u hem niet iets geven waardoor hij beter slaapt?”
- “Natuurlijk, dat doen we ook. Maar slaap- of kalmeermiddelen vormen natuurlijk geen echte oplossing. Vaak hebben patiënten de indruk dat ze door hun familie…”
- "Als een last worden beschouwd?" onderbreek ik hem, terwijl ik mijn hoofd schijnbaar verveeld afwend. Ondertussen wordt die verduivelde hoofdpijn steeds erger. Door het raam zie ik hoe een oud mannetje de hitte trotseert en tergend langzaam door de tuin vooruit schuifelt. Als hij zou vallen en niet meer overeind geraakt, zou ik dat dan tegen de verpleger moeten zeggen? Hij kan het niet zien want hij staat met zijn rug naar het raam. Ik wil hier weg.
– "Het spijt me maar ik heb het inderdaad erg druk. Als er verder niets meer is, zou ik graag gaan." Ik sluit heel even mijn ogen. Inderdaad erg druk.
– "Wilt u uw vader niet zien?" vraagt de verpleger met gespeelde verwondering. Hij weet dat ik dat niet wil. Hij weet het. Met mijn linker handpalm druk ik hard op mijn linkerslaap terwijl de verpleger met een voddige zakdoek nogmaals het zweet van zijn voorhoofd en hals veegt.
– "Sorry, ik moet..." Ik draai me zonder te groeten om en stommel naar buiten. Ik weet dat de verpleger me, ditmaal oprecht verbaasd, staat na te kijken. De holle echo's van mijn voetstappen in de witte dodengangen doen me sneller ademen en lopen. Ik struikel, val en bots met mijn hoofd tegen… ik weet niet wat. De zee ruist in mijn achterhoofd. Stop.
Hier binnen, in het belachelijk kleine kantoortje van de hoofdverpleger is het godzijdank iets minder warm maar erg benauwend. Ik zuig wat van de doffe lucht naar binnen maar de door mijn hoofd dreunende pijn wordt er alleen maar erger door. Wat zou zij nu aan het doen zijn?
De hoofdverpleger schat ik rond de vijfendertig. Ik stel met genoegen vast dat hij nog meer onder de hitte lijdt dan ik. In zijn hals staan kleine, vieze zweetdruppeltjes.
"Uw vader is de laatste tijd nogal onrustig," begint hij. "Hij slaapt slecht en is soms, nu ja, bijna onhandelbaar.” Ik zie dat er zich op zijn witte hemd ter hoogte van zijn oksels vochtkringen aftekenen. De verpleger lijkt min of meer te verwachten dat ik iets zal zeggen maar ik knik gewoon. Even aarzelt hij maar dan gaat hij verder.
“Hij lijkt voornamelijk af te zien onder het feit dat hij zo weinig bezocht wordt. Daar lijkt hij toch vaak op aan te sturen. Begrijp me niet verkeerd, ik weet dat u het druk heeft maar misschien…”
- ”Kunt u hem niet wat geven?”
- “Pardon?” De verpleger kijkt me niet begrijpend aan.
- “Kunt u hem niet iets geven waardoor hij beter slaapt?”
- “Natuurlijk, dat doen we ook. Maar slaap- of kalmeermiddelen vormen natuurlijk geen echte oplossing. Vaak hebben patiënten de indruk dat ze door hun familie…”
- "Als een last worden beschouwd?" onderbreek ik hem, terwijl ik mijn hoofd schijnbaar verveeld afwend. Ondertussen wordt die verduivelde hoofdpijn steeds erger. Door het raam zie ik hoe een oud mannetje de hitte trotseert en tergend langzaam door de tuin vooruit schuifelt. Als hij zou vallen en niet meer overeind geraakt, zou ik dat dan tegen de verpleger moeten zeggen? Hij kan het niet zien want hij staat met zijn rug naar het raam. Ik wil hier weg.
– "Het spijt me maar ik heb het inderdaad erg druk. Als er verder niets meer is, zou ik graag gaan." Ik sluit heel even mijn ogen. Inderdaad erg druk.
– "Wilt u uw vader niet zien?" vraagt de verpleger met gespeelde verwondering. Hij weet dat ik dat niet wil. Hij weet het. Met mijn linker handpalm druk ik hard op mijn linkerslaap terwijl de verpleger met een voddige zakdoek nogmaals het zweet van zijn voorhoofd en hals veegt.
– "Sorry, ik moet..." Ik draai me zonder te groeten om en stommel naar buiten. Ik weet dat de verpleger me, ditmaal oprecht verbaasd, staat na te kijken. De holle echo's van mijn voetstappen in de witte dodengangen doen me sneller ademen en lopen. Ik struikel, val en bots met mijn hoofd tegen… ik weet niet wat. De zee ruist in mijn achterhoofd. Stop.
(wordt vervolgd)
dinsdag 8 mei 2007
Nora: deel 2
Maandag
"Als je oud wordt, dan krijg je kleine takjes rond je ogen" zei ze gisterenmorgen nog op de terugweg. Zonder aanleiding. Ik vond het zo mooi dat ik wel kon janken. Toen ik thuis kwam heb ik dat dan ook gedaan. Daarna nam ik plichtsbewust plaats aan het bureau waar ik vele uren schrijvende doorbreng, en ik heb haar woorden opgeschreven. Andere notities die ik nog nam, waren: houdt zij van mij? Antwoord: nog uit te zoeken en zo ja, nagaan wat de daaraan verbonden consequenties zijn. Houd ik van haar? Antwoord: neen, beslist niet.
Dat neemt niet weg dat ik de laatste tijd vaak met haar optrek, ongetwijfeld te vaak. En ze sleept me steeds weer mee in haar bizarre gedachtekronkels. Toen ze mij voorstelde om naar de zee te gaan kijken op een voor mensenkinderen dodelijk vroeg uur had ik al toegestemd voor ik besefte wat ze precies gevraagd had. En morgen gaat ze mij, o gruwel, voorlezen uit haar dagboek. Haar dagboek dat geen dagboek is. Ze is tenslotte geen kind meer.
Wat me nog het meest verbaast, is dat ze me oprecht lijkt te mogen. Ik ben geen aangename persoon. Dat zeg ik niet uit zelfhaat maar omdat ik dat weet. Ik word door vrienden ‘cynisch' en 'twistziek' genoemd. En dat ben ik ongetwijfeld ook. Zij daarentegen noemde me onlangs ‘complex’ en ‘zoekend’. Ik moest erom lachen, maar ik straalde van trots.
Als ik 's avonds met haar langs de gesloten supermarkt ben gewandeld omdat dat verlangen opeens in haar opkwam en we bij het helle schijnsel van de eeuwig brandende daglichten hebben staan kijken naar die chaotische kleurenmozaïek van koopwaar, dan weet ik niet meer waar ik het heb. Ik denk dat ik geen keuze heb. Ik moet op regelmatige tijdstippen bij haar zijn. Ik voel geen liefde. Dat niet. Ik zou immers niet weten wat ik me bij liefde moet voorstellen. Maar ze doet een frisse wind door mij heen waaien, ze geeft me nieuwe, ongekende impulsen die schreeuwen om door mij, zelfverklaard kunstenaar, gebruikt te worden.
Ze is, hoe stom en gedateerd dat vandaag ook klinkt, mijn muze. Haar zilverbruine ogen zuigen me mee een wereld binnen die me van alles vertelt maar dan wel in een taal die ik niet ken. Nog niet, want ik heb voor mezelf al uitgemaakt dat ik niet opgeef voor ik de code ontcijferd heb. Ze intrigeert me en ze jaagt me op. Ze zal me inspireren tot grootste dingen. Dat voel ik.
"Als je oud wordt, dan krijg je kleine takjes rond je ogen" zei ze gisterenmorgen nog op de terugweg. Zonder aanleiding. Ik vond het zo mooi dat ik wel kon janken. Toen ik thuis kwam heb ik dat dan ook gedaan. Daarna nam ik plichtsbewust plaats aan het bureau waar ik vele uren schrijvende doorbreng, en ik heb haar woorden opgeschreven. Andere notities die ik nog nam, waren: houdt zij van mij? Antwoord: nog uit te zoeken en zo ja, nagaan wat de daaraan verbonden consequenties zijn. Houd ik van haar? Antwoord: neen, beslist niet.
Dat neemt niet weg dat ik de laatste tijd vaak met haar optrek, ongetwijfeld te vaak. En ze sleept me steeds weer mee in haar bizarre gedachtekronkels. Toen ze mij voorstelde om naar de zee te gaan kijken op een voor mensenkinderen dodelijk vroeg uur had ik al toegestemd voor ik besefte wat ze precies gevraagd had. En morgen gaat ze mij, o gruwel, voorlezen uit haar dagboek. Haar dagboek dat geen dagboek is. Ze is tenslotte geen kind meer.
Wat me nog het meest verbaast, is dat ze me oprecht lijkt te mogen. Ik ben geen aangename persoon. Dat zeg ik niet uit zelfhaat maar omdat ik dat weet. Ik word door vrienden ‘cynisch' en 'twistziek' genoemd. En dat ben ik ongetwijfeld ook. Zij daarentegen noemde me onlangs ‘complex’ en ‘zoekend’. Ik moest erom lachen, maar ik straalde van trots.
Als ik 's avonds met haar langs de gesloten supermarkt ben gewandeld omdat dat verlangen opeens in haar opkwam en we bij het helle schijnsel van de eeuwig brandende daglichten hebben staan kijken naar die chaotische kleurenmozaïek van koopwaar, dan weet ik niet meer waar ik het heb. Ik denk dat ik geen keuze heb. Ik moet op regelmatige tijdstippen bij haar zijn. Ik voel geen liefde. Dat niet. Ik zou immers niet weten wat ik me bij liefde moet voorstellen. Maar ze doet een frisse wind door mij heen waaien, ze geeft me nieuwe, ongekende impulsen die schreeuwen om door mij, zelfverklaard kunstenaar, gebruikt te worden.
Ze is, hoe stom en gedateerd dat vandaag ook klinkt, mijn muze. Haar zilverbruine ogen zuigen me mee een wereld binnen die me van alles vertelt maar dan wel in een taal die ik niet ken. Nog niet, want ik heb voor mezelf al uitgemaakt dat ik niet opgeef voor ik de code ontcijferd heb. Ze intrigeert me en ze jaagt me op. Ze zal me inspireren tot grootste dingen. Dat voel ik.
(wordt vervolgd)
maandag 7 mei 2007
Nora: deel 1
Zondag
Het is koud en ik ben een idioot. Als er vandaag, een zondagochtend om zeven uur waarop ik slaapdronken voor de deur van haar huis sta te wachten, twee zekerheden in mijn leven zijn, dan deze. Ze opent de voordeur bijna een kwartier nadat ik heb aangebeld, ("Maar één keer, anders is iedereen wakker!") en lacht omdat ik er moe en verward uitzie. Ze slaat nog vlug een donkergroene sjaal om en gooit de deur dicht. Keihard. "Kom mee" zegt ze en flitst langs me heen. Ik zucht. Wat anders? Als ik me omdraai, is zij al om de straathoek verdwenen.
Hijgend kom ik na een korte achtervolging dan toch naast haar lopen. Ik haak mijn arm in die van haar. Voorlopig ontsnapt ze me niet meer. De zon op onze rechterkant scheurt de ochtendmist uiteen.
De zee. We gaan zitten, onze benen over de rand van de rots. Een twintig meter lager beukt het water schuim brakend tegen de krijtrotsen. Stilte, zij in gedachten verzonken, ik peilend naar de hare.
Plots vraagt ze of ik ook niet vind dat de zon vroeger anders was. Verrast door die vreemde vraag stamel ik iets dat zowel een ja of een nee kan zijn omdat ik niet weet wat zij erover denkt en omdat ik sinds kort krampachtig probeer om het in alles met haar eens te zijn. Maar zo makkelijk kom ik er niet onderuit. "Maar hoe…?" Ze maakt haar zin niet eens af, wendt zelfs haar gezicht af maar toch éisen haar ogen van mij een zinvolle repliek. Met een wetenschappelijke uitleg zal ze niet tevreden zijn. Misschien omdat elk individu op een heel eigen manier naar de dingen, en dus ook naar de zon, kijkt en dat de zon voor haar anders lijkt omdat ze zich nu anders voelt? Ik kan mezelf wel slaan. Wat een onzin. Maar zij vindt het prachtig zegt ze, met glazige ogen voor zich uit starend.
Ze zegt dat ze zich inderdaad anders voelt maar waarom weet ze niet. Ze kijkt omhoog, lijkt in haar hoofd naar woorden en zinnen te graven en dan begint ze te praten. Na een tijdje praat ze niet meer, ze vertelt. Dat ze zo onopvallend mogelijk probeert te bestaan maar dat ze niet weet of dat wel bestaan is. Dat ze zich soms afvraagt of God bestaat maar dat ze tegelijk beseft dat, als hij al bestaat, hij waarschijnlijk niet van haar verwacht dat ze zich vragen stelt omtrent zijn bestaan. Dat ze denkt dat er in stilte twee uitersten schuilen: eenzaamheid en veiligheid. Dat ze vroeger als klein meisje eens gedroomd had dat ze zich droevig voelde maar dat haar gezicht in een lach bevroren zat zodat iedereen dacht dat ze gelukkig was.
Ineens huilt ze. De zon spat uiteen op het bevroren zeeoppervlak en grote glazen tranen rollen langs de rotskust naar beneden tot tussen geel oplichtende scherven. Even stolt alles in één groot, verwarrend beeld op mijn netvlies, tot het water weer in beweging komt en alles wegspoelt.
Met de rug van haar hand wrijft ze langs haar ogen en springt recht. "Kom mee, het gaat regenen." Ik sta op en zie dat er inderdaad grauwe wolken samentroepen. Als ik me omdraai, is ze al een eind verder het pad in de richting van het dorp afgelopen.
Het is koud en ik ben een idioot. Als er vandaag, een zondagochtend om zeven uur waarop ik slaapdronken voor de deur van haar huis sta te wachten, twee zekerheden in mijn leven zijn, dan deze. Ze opent de voordeur bijna een kwartier nadat ik heb aangebeld, ("Maar één keer, anders is iedereen wakker!") en lacht omdat ik er moe en verward uitzie. Ze slaat nog vlug een donkergroene sjaal om en gooit de deur dicht. Keihard. "Kom mee" zegt ze en flitst langs me heen. Ik zucht. Wat anders? Als ik me omdraai, is zij al om de straathoek verdwenen.
Hijgend kom ik na een korte achtervolging dan toch naast haar lopen. Ik haak mijn arm in die van haar. Voorlopig ontsnapt ze me niet meer. De zon op onze rechterkant scheurt de ochtendmist uiteen.
De zee. We gaan zitten, onze benen over de rand van de rots. Een twintig meter lager beukt het water schuim brakend tegen de krijtrotsen. Stilte, zij in gedachten verzonken, ik peilend naar de hare.
Plots vraagt ze of ik ook niet vind dat de zon vroeger anders was. Verrast door die vreemde vraag stamel ik iets dat zowel een ja of een nee kan zijn omdat ik niet weet wat zij erover denkt en omdat ik sinds kort krampachtig probeer om het in alles met haar eens te zijn. Maar zo makkelijk kom ik er niet onderuit. "Maar hoe…?" Ze maakt haar zin niet eens af, wendt zelfs haar gezicht af maar toch éisen haar ogen van mij een zinvolle repliek. Met een wetenschappelijke uitleg zal ze niet tevreden zijn. Misschien omdat elk individu op een heel eigen manier naar de dingen, en dus ook naar de zon, kijkt en dat de zon voor haar anders lijkt omdat ze zich nu anders voelt? Ik kan mezelf wel slaan. Wat een onzin. Maar zij vindt het prachtig zegt ze, met glazige ogen voor zich uit starend.
Ze zegt dat ze zich inderdaad anders voelt maar waarom weet ze niet. Ze kijkt omhoog, lijkt in haar hoofd naar woorden en zinnen te graven en dan begint ze te praten. Na een tijdje praat ze niet meer, ze vertelt. Dat ze zo onopvallend mogelijk probeert te bestaan maar dat ze niet weet of dat wel bestaan is. Dat ze zich soms afvraagt of God bestaat maar dat ze tegelijk beseft dat, als hij al bestaat, hij waarschijnlijk niet van haar verwacht dat ze zich vragen stelt omtrent zijn bestaan. Dat ze denkt dat er in stilte twee uitersten schuilen: eenzaamheid en veiligheid. Dat ze vroeger als klein meisje eens gedroomd had dat ze zich droevig voelde maar dat haar gezicht in een lach bevroren zat zodat iedereen dacht dat ze gelukkig was.
Ineens huilt ze. De zon spat uiteen op het bevroren zeeoppervlak en grote glazen tranen rollen langs de rotskust naar beneden tot tussen geel oplichtende scherven. Even stolt alles in één groot, verwarrend beeld op mijn netvlies, tot het water weer in beweging komt en alles wegspoelt.
Met de rug van haar hand wrijft ze langs haar ogen en springt recht. "Kom mee, het gaat regenen." Ik sta op en zie dat er inderdaad grauwe wolken samentroepen. Als ik me omdraai, is ze al een eind verder het pad in de richting van het dorp afgelopen.
(wordt vervolgd)
Een nieuwe start
Er mag hier dan al één en ander geschreven staan, dit is de eerste echt nieuwe post. De stukjes hieronder schreef ik voor de voorloper van deze blog. Waarom de verandering? Omdat het soms goed is om alle bruggen te verbranden. Waarom dan toch een aantal schrijfsels van het zinkende schip redden? Omdat ik de illusie koester dat ze voor sommige mensen het lezen waard zijn.
Voel je het? Die kakelversie bits en bytes! Welkom, reiziger. U zult wel moe zijn.
Voel je het? Die kakelversie bits en bytes! Welkom, reiziger. U zult wel moe zijn.
zondag 6 mei 2007
Cynisch
Aanklacht: dat het hier soms nogal cynisch is.
Verdediging:
0. captatio benevolentiae: wat hebt u mooie ogen!
1. het leven noopt soms tot cynisme
2. cynisch op de blog = minder cynisch in het leven?
3. cynisch op de blog = een kop die vooralsnog niet uit elkaar knalt?
4. uiteenzetting: cynisme als reddingsboei van de melancholicus/romanticus
Alle gekheid op een stokje: u hebt natuurlijk overschot van gelijk, jonkvrouwe. Maar er wordt echt echtig aan gewerkt.
Verdediging:
0. captatio benevolentiae: wat hebt u mooie ogen!
1. het leven noopt soms tot cynisme
2. cynisch op de blog = minder cynisch in het leven?
3. cynisch op de blog = een kop die vooralsnog niet uit elkaar knalt?
4. uiteenzetting: cynisme als reddingsboei van de melancholicus/romanticus
Alle gekheid op een stokje: u hebt natuurlijk overschot van gelijk, jonkvrouwe. Maar er wordt echt echtig aan gewerkt.
dinsdag 1 mei 2007
Schuifdeuren
Sta mij toe om hier even kritiek te uiten op de NMBS. Niet omdat de treinen nooit op tijd zouden zijn en niet omdat ze eerste klasse nog niet afschaft hebben. Na bijna zeven jaar intensief treingebruik durf ik ten stelligste beweren dat vertragingen zeldzaam zijn. Altijd zullen de menschen klagen over het weer, het openbaar vervoer en de polletiekers. Neem voor de lol eens de trein in het buitenland. Dat helpt relativeren.
Waarop ik dan wel kritiek heb? Het binnendeurenbeleid. Voor wie al jaren niet meer de trein genomen heeft: in de meeste treintoestellen worden de wagonnen tegenwoordig van elkaar gescheiden door automatische schuifdeuren. U geeft een tikje tegen het handvat en de deur schuift automatisch open. U loopt verder en na een paar seconden gaat de deur terug dicht. Gevaar om tussen de deur geklemd te raken is er niet, daar zorgt een elektronisch oog voor.
Dat lijkt makkelijk in het dagelijks gebruik maar voor veel ouderen van dagen is het dat klaarblijkelijk niet. Zij willen een schuifdeur zélf open en dicht schuiven. Zo is het hen geleerd. Dat resulteert telkens weer in pijnlijke scènes: zenuwachtige en trillerige senioren die uit alle macht aan zo'n schuifdeur staan te sleuren, bang dat ze niet op tijd zullen kunen uitstappen, die nu eens wantrouwig voor een open deur blijven wachten en zich dan weer met ware doodsverachting tussen een dichtschuivende deur werpen omdat ze vrezen dat het de laatste keer is dat ze zal opengaan. Dat vervult mij altijd met diep medelijden en voor een keer mag u dat zonder een grammetje ironie lezen. Anders gebruikte ik wel een ironieteken, tiens.
Tijd voor een bewustmakingscampagne: leer de jongeren veilig vrijen, leer de ouderen een automatische schuifdeur openen. Daar hebben ze recht op. En zo hoeft niemand meer te ondergaan wat mij gisteren is overkomen toen ik een trillerige senioor wou helpen.
- Je moet gewoon één tikje tegen het handvat geven en ze gaat vanzelf weer dicht.- Hemmek u iet gevroagd?- Euh... neen.
donderdag 26 april 2007
Bootleg Bar: acoustic style!
Tom Barman - Gulf Shores (cover)
We schrijven 8 augustus in het jaar 2000 als Tom Barman op Dranouter voor het eerst unplugged gaat en in zijn eentje een aantal eigen nummers en covers brengt. Niet alle folkies zijn even opgezet met Barmans aanwezigheid op "hun" festival, maar luisteraars met een open geest zien een ijzersterk concert met een paar magische momenten. Samen met de dan nog onbekende Tom 'Admiral Freebee' Vanlaere brengt hij 'Magnolia' (JJ Cale) en 'There's a road' (Admiral Freebee) en met Axelle Red zingt hij zijn eigen 'Serpentine'. Eén de mooiste maar minst bekende songs is deze 'Gulf Shores' van Will Oldham aka Palace aka Bonnie 'Prince' Billie.
It was hard enough to climb upon
It was slow-going at first
Sister, you have laid long in the sun
Aren't you dying of thirst?
Oh my dear your suit is candy-striped
And your legs are long and slim
If I whisper nothings in your ear
Will you pass them on to him?
Eva Cassidy - Kathy's Song (cover)
Eén van de mooiste stemmen ooit (heeft u haar al eens 'Fields of gold' of 'Somewhere over the rainbow' horen zingen?) zingt het mooiste lied van Simon & Garfunkel.
Of ook wel 'Stijlvol over seks zingen':Eén van de mooiste stemmen ooit (heeft u haar al eens 'Fields of gold' of 'Somewhere over the rainbow' horen zingen?) zingt het mooiste lied van Simon & Garfunkel.
Most of my fantasies are of making someone else come. Most of my fantasies are of to be of use. To be of some hard, simple, undeniable use. Like a spindle, like a candle, like a horseshoe, like a corkscrew. To be of use. Most of my fantasies are of making someone else come. On a horse, over palms laid, on the threshold, on the coming day.
donderdag 19 april 2007
Nieuwe broeken
Er zijn altijd wel dingen die je rust verstoren. Sioen die bijvoorbeeld nog altijd geweldig serieus genomen wordt op basis van één niet onaardig nummer en een paar fletse platen. Of de onnozele hals in zijn BMW (echt) die mij en nog een andere wagen aan 80 per uur voorbijsteekt, in de bebouwde kom, op een tweevaksbaan, vlakbij een school, om iets na vier, terwijl er langs beide kanten van de weg groepjes kinderen te voet of met de fiets op weg waren naar huis. En die 100 meter verder toch moest wachten voor het rode licht. Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik toen voor het eerst in mijn loopbaan als automobilist iemand the finger gegeven heb terwijl ik achter hem stond aan te schuiven. Geeft niet echt zoveel voldoening als ik had gehoopt.
Ook nieuwe broeken kunnen aan je karma morrelen. Geen idee of het een vaak voorkomend fenomeen is, maar ik heb al twee keer een nieuwe broek gekocht waarvan de ritssluiting achteraf een eigen wil blijkt te hebben. Die bestaat meestal uit een verlangen om spontaan terug open te gaan op onverwachte momenten. Na een aantal weken lost het probleem meestal zichzelf op, maar in afwachting daarvan kan het voor knap vervelende situaties zorgen. Zoals begin deze week.
In de cd-winkel op zoek naar muzikaal lekkers. Opeens merken dat het van dattem is. Lichte paniek, want wat doe je? In je hoofd overloop je de mogelijkheden. 1: je doet alsof er niks aan de hand is en wandelt fluitend (pun not intended) naar buiten. Hm, brengt niet echt zoden aan de dijk want het probleem blijft onveranderd en buiten zijn er nog meer mogelijke toeschouwers. 2: je doet gewoon je rits dicht. Kan dat, in een volle winkel waar je regelmatig komt een handeling verrichten die kan verward worden met jezelf onbeschaamd in het kruis tasten? 3: een creatieve uitweg zoeken uit je sociale paranoia. Dat was wat ik ook deed.
Ik kuierde met een van slechte televisieacteurs gekopieerde nonchalance (handen in de broekzakken, zacht neuriënd en opgewekt rondkijkend) in de richting van de obscure metalplaten in de achterste hoek van de zaak. Daar draaide ik mij met mijn rug naar de toonbank en terwijl ik met mijn rechterhand (hier had men mij kunnen betrappen want ik ben linkshandig) een willekeurige cd-hoes bestudeerde, kon ik met mijn linkerhand de gewraakte rits terug dicht doen.
Het is niet niks, onder de mensen komen.
maandag 16 april 2007
dinsdag 27 maart 2007
Primus van de klas
Normaal gesproken vermijd ik fotoalbums als waren het anthraxbrieven. Gisteren maakte ik daarop een uitzondering omdat mijn zus dringend een foto nodig had. En zo kwam het dat ik plots een foto van mijzelf tegenkwam toen ik twaalf jaar oud was.
Het is op het einde van het zesde leerjaar. Als primus van de klas krijg ik een medaille overhandigd door de schepen van onderwijs. Glunderen dat ik doe. Klein ventje naast lange man in kostuum. Mijn gezicht weerspiegelt een mengeling van trots en spanning. Al die ogen op mij gericht! Uit nervositeit grijp ik half naast de uitgestoken hand van de schepen.
Er is nog een tweede foto: ik heb de medaille al om mijn hals en onbevangen kijk ik recht in de lens, uitdagend bijna. De schepen is bijna uit beeld verdwenen, je ziet alleen nog zijn arm. Kijk eens aan, denk ik, niet te geloven dat ik dat ben. En wat een zelfzekerheid straalt dat kereltje uit. De longen barstensvol lucht en klaar voor het grote werk. Popelend om die muffe zaal in dat veel te kleine schooltje achter zich te kunnen laten. De wereld te betreden. Of leg ik dat er nu allemaal zelf in? Het is tenslotte maar een foto. Dus is het ook volstrekt belachelijk dat mijn ogen vochtig worden en dat ik denk: godverdomme, die foto is het droevigste wat ik ooit gezien heb.
maandag 5 maart 2007
dinsdag 27 februari 2007
Eric
In die dagen trok Jezus van Nazareth door Judea om het woord van God te verkondigen. Dat deed hij met verve en het zou niet lang meer duren voor hij zo populair zou zijn dat de critici hem aan een kruis zouden vastnagelen. Je zal het altijd zien.
In diezelfde dagen (andere tijd en plaats) vertoefde ik in het landelijke West-Vlaanderen, meer bepaald in het onooglijke gehucht Tielt. Een naam als een slecht Amsterdams popgroepje. De lucht was grijs en leeg. Er joeg een ijzige wind over de velden. Ik naderde de dorpskom: bakstenen huizen en vuile straten. Schichtige gedaantes flitsen langs de muren. In alles gloorde de wanhoop van de uitzichtlozen door. Dit land en haar bewoners waren verdoemd.
Ik was al weken onderweg en ver van huis. Ik had voedsel nodig en een dak om te schuilen, maar waar moest ik heen? Het vooruitzicht aan contact met de lokale bevolking leek me niet bepaald aantrekkelijk. Plotsklaps zag ik een bord met daarop in gele letters "Eric's Familie Frituur Met Zestien Zitplaatsen". De honger joeg mij naar binnen.
Achter de toonbank stond een oude man. Hij vroeg me wat ik wenste. Een bakje frieten en een Ice Tea, dankuvriendelijk. Waarop hij met uitgestreken gezicht sprak: "U mag achteraan plaats nemen. De Ice Tea mag u zelf nemen en omdat u die zelf neemt, mag u de beste kiezen. De grootste is helaas al weg."
Het was kalm in de zaak en terwijl ik mijn maaltijd gebruikte, kwam hij bij mij staan en vroeg hij of ik student was. Ik vertelde dat ik in Tielt lesstage kwam doen. Ha, een leraar in spe? Jawel, of tenminste: dat dacht ik af en toe. Ik was er nog niet uit. Hij hief een wijsvinger en sprak: "Lesgeven is een roeping. En om te achterhalen of het jouw roeping is, moet je naar je wens luisteren. De wil wordt gemanipuleerd, maar de wens is eigen."
Verbaasd staarde ik hem aan. Dergelijke wijsheden had ik nu niet meteen in "Eric's Familie Frituur Met Zestien Zitplaatsen" verwacht. Hij wachtte even om het belang van zijn woorden goed te laten inwerken en voegde er daarna nog aan toe: "De jeugd is fenomenaal mooi, het zijn wij ouderen die hen niet begrijpen." Hij draaide rond zijn as en verdween terug achter zijn toonbank. Een verdwaalde filosoof die frikandellen serveert en in aforismen praat. Kom dat tegen.
zaterdag 17 februari 2007
Treingesprek
Afgeluisterd van twee scholieren op de trein:
- Amai, ik heb goesting in de grote vakantie.
- Haha, nu al? Ja, wie niet hé.
- Ei, als ge later in Gent studeert hé, dan hebt ge 3 maand vakantie!
- Serieus?
- Ja. Maar mijne pa zegt dat ik daarvoor te stom ben, haha.
- Haha.
- Amai, ik heb goesting in de grote vakantie.
- Haha, nu al? Ja, wie niet hé.
- Ei, als ge later in Gent studeert hé, dan hebt ge 3 maand vakantie!
- Serieus?
- Ja. Maar mijne pa zegt dat ik daarvoor te stom ben, haha.
- Haha.
maandag 12 februari 2007
Het leven zoals het is: lesstage
Als je een jaar ouder wordt telkens iemand je met "meneer" aanspreekt, dan ben ik nu al een eind in de dertig. En dat op een paar weken tijd! Dat vind ik niet leuk. Vooral die rosse puistenkop die in zijn enthousiasme om te antwoorden zeker bijna een minuut lang meneermeneermeneerde, heeft me een pak jaren gekost. Gewoon je hand opsteken en wachten tot ik je aanduid is blijkbaar een stuk moeilijker dan overdadig veel gel in je haar kwakken, hein?
"Nou, dan mot je maar niet voor de klas gaan staan!" hoor ik u al met een onverklaarbaar plots opduikende Hollandse tongval opwerpen. U heeft ten dele gelijk. Lesgeven zelf is best aangenaam, maar het leidt de aandacht af van de hoofdzaken. Denk ik dan. In de veronderstelling dat ik hoofd- en bijzaken van elkaar kan onderscheiden.
"Nou, dan mot je maar niet voor de klas gaan staan!" hoor ik u al met een onverklaarbaar plots opduikende Hollandse tongval opwerpen. U heeft ten dele gelijk. Lesgeven zelf is best aangenaam, maar het leidt de aandacht af van de hoofdzaken. Denk ik dan. In de veronderstelling dat ik hoofd- en bijzaken van elkaar kan onderscheiden.
Maar goed, ik ga hier niet beginnen zwammen over de diepe doch aaibare identiteitscrisis waarin ik al wekenlang vertoef. Dat is niet sexy. Je identiteit tegen het licht houden is bovendien iets wat je alleen doet. Net als puin ruimen, verlangen en boeken lezen.
woensdag 7 februari 2007
Beeldvorming
Los van het feit dat een mens vermoorden altijd een door en door afschuwelijke daad is, heb ik de afgelopen dagen nog uit niemands mond volgende bedenking gehoord: werden er vroeger geen mensen neergestoken? Ik zal wel weer cynisch zijn als ik vaststel dat alles met het etiket "zinloos geweld" tegenwoordig goed verkoopt. DE MP3-MOORD! DE SIGARETMOORD! Smullen maar. En binnen blijven, dat spreekt voor zich. Wat er buiten gebeurt, dat zien we wel op onze televisie.
Abonneren op:
Posts (Atom)