Maar desondanks was het zeven uur 's morgens en heel erg koud en mijn handen figureerden in een liedje van Spinvis: de ochtenden zijn wit en koud en hoe je ook je stuur vasthoudt, de wind komt door je handschoenen heen, je vingers zijn versteend. Zo was het maar net.
Er was een bord dat "stop" zei en ik stopte.
Er was een rood licht en ik stopte opnieuw, hoewel er geen kat op straat was. Combinatie van burgerplicht en autisme.
Er was een tweede rood licht dat groen werd, maar ik bleef staan. Want vaak was dat het enige wat je nog kon doen: blijven staan. De trappers lossen.